De Dienstplicht

Keuring

Voor veel mannen van mijn generatie hoorde het er gewoon bij: de dienstplicht. Op een dag viel de oproep op de deurmat en voor je het wist stond je in een uniform dat nooit helemaal lekker zat, liep je in legerkistjes die vooral bedoeld leken om blaren te kweken en leerde je dat een sergeant altijd gelijk had... ook als hij dat eigenlijk niet had.

Officieel bestaat de dienstplicht in Nederland nog steeds, maar sinds 1997 is de opkomstplicht opgeschort. De kans dat je tegenwoordig nog wordt opgeroepen is ongeveer even groot als dat legerkistjes binnenkort het nieuwste modeartikel worden tijdens de Amsterdam Fashion Week.

Toen ik in 1969 werd goedgekeurd voor militaire dienst had ik weinig te kiezen. De overheid vond mij kennelijk een uitstekend exemplaar om het vaderland te dienen. Achteraf vraag ik me nog weleens af of de keuringsarts die dag zijn bril wel op had.

Mijn diensttijd bracht me veel meer dan alleen exerceren, schieten en vroeg opstaan. Ik leerde omgaan met discipline, kameraadschap, improviseren en vooral met wachten. Heel veel wachten. Soms kreeg je het idee dat wachten een officieel onderdeel van de militaire opleiding was.

Natuurlijk waren er ook minder leuke momenten. Maar zoals dat met herinneringen gaat, verdwijnen de scherpe randjes na verloop van tijd. Wat overblijft zijn vooral de mooie belevenissen, de kameraadschap en de sterke verhalen. En die verhalen worden, geheel volgens militaire traditie, met ieder jaar dat voorbijgaat nét een beetje sterker.

In de volgende hoofdstukken neem ik je mee terug naar die tijd. Geen complete geschiedenis van de Nederlandse krijgsmacht, maar gewoon mijn eigen belevenissen. Soms serieus, vaak met een knipoog en hier en daar een gezonde dosis zelfspot.

Marsch... eh... scroll gerust verder!

De Keuring

Keuringsraad

 En aldus geschiedde...

Op een dag viel er een officiële brief op de mat. Geen belastingaanslag, geen reclamefolder, maar een keurige uitnodiging van de burgemeester van Amsterdam. Of ik mij op 21 november 1969 wilde melden bij Indelingsraad nr. 6 aan de Sarphatistraat.

De boodschap was vriendelijk geformuleerd, maar de ondertoon was duidelijk: "Kom maar eens bewijzen dat je geschikt bent om het vaderland te verdedigen."

Braaf meldde ik mij op de afgesproken dag. Daar werd ik van top tot teen bekeken, gemeten, gewogen, beluisterd, bevoeld en waarschijnlijk ook nog gecontroleerd op onderdelen waarvan ik het bestaan tot dan toe niet kende.

Tot mijn eigen verbazing kwam de keuringsarts tot de conclusie dat ik volledig geschikt was voor militaire dienst.

Kennelijk zag ik er destijds nog uit als een jonge Adonis met de conditie van een marathonloper en de spierkracht van een havenarbeider. Hoe anders kijkt dezelfde spiegel daar ruim vijftig jaar later tegenaan.

Achteraf kan ik zeggen dat mijn diensttijd een bijzondere en vooral leerzame periode is geweest. Natuurlijk ging niet alles van een leien dakje. Er waren dagen waarop ik mij serieus afvroeg of de vijand misschien vriendelijker zou zijn dan sommige sergeanten. Maar zoals dat met herinneringen gaat: de minder leuke momenten slijten vanzelf, terwijl de sterke verhalen met het verstrijken der jaren alleen maar mooier worden.

Ik leerde er discipline, kameraadschap en improviseren. Maar vooral ook de militaire kunst van het wachten. Eerst wachten op het ontbijt, daarna wachten op de sergeant, vervolgens wachten op een vrachtwagen, daarna wachten op een oefening die uiteindelijk niet doorging... en als afsluiting van de dag nog even wachten omdat er ergens iemand anders op ons stond te wachten.

Ook ontdekte ik dat je een bed zó strak kunt opmaken dat een kwartje erop zou kunnen stuiteren. Of dat ooit daadwerkelijk is geprobeerd weet ik niet, maar het verhaal was hardnekkiger dan de dekens zelf.

Terugkijkend besef ik dat die keuringsdag veel meer was dan een medische controle. Het was het begin van een avontuur vol mooie herinneringen, bijzondere ontmoetingen, een flinke dosis discipline en genoeg sterke verhalen om er ruim vijftig jaar later nog steeds met veel plezier over te vertellen.

En eerlijk is eerlijk... als ik nu opnieuw gekeurd zou worden, zouden ze me waarschijnlijk vriendelijk adviseren om vooral thuis te blijven. 😉

Bergen Op Zoom - Artillerie Opleidings Centrum RijschoolMilitaire pasfoto

De eerste vier maanden

Voor het wapen der Artillerie meldde ik mij op maandag 16 november 1970 bij de Artillerie Rijschool in de Cort Heyligerskazerne in Bergen op Zoom, lichting 70-6.

Het doel was duidelijk: van een keurige burger veranderen in een militair die een YA328 of YA616 zonder al te veel brokken van A naar B kon rijden. Dat laatste stelde mij enigszins gerust; kennelijk hield Defensie er al rekening mee dat een klein krasje menselijk was.

De reis begon al bijzonder. Op het station stond een minder indrukwekkende YA314 op ons te wachten. We klommen achterin en werden als een vracht verse rekruten richting de kazerne vervoerd. Comfort was duidelijk geen onderdeel van de militaire opleiding.

Bij de poort volgde meteen de eerste kennismaking met de krijgsmacht: de haardrachtcontrole.

In die tijd had lang haar weinig toekomst binnen Defensie. Gelukkig, althans volgens het leger – stond er een kapper klaar die binnen enkele minuten iedere poging tot een modieus kapsel vakkundig ongedaan maakte. Sommige jongens zagen hun haar sneller verdwijnen dan hun goede humeur.

Daarna volgden de gebruikelijke rituelen: inschrijven, kamer zoeken, PSU ophalen, uniform aantrekken en proberen uit te vinden hoe al die kledingstukken eigenlijk hoorden te zitten. Binnen een paar uur was de metamorfose compleet. 's Morgens nog burger, 's middags militair. Als je daarna in de spiegel keek, moest je soms twee keer knipperen om jezelf te herkennen.

De eerste week stond bol van de medische keuringen, injecties en het maken van een pasfoto voor het militaire legitimatiebewijs. Die foto bewees één ding: niemand wordt knapper van een paar dagen kazerneleven.

Mijn bed stond in gebouw C, op de eerste verdieping. Op de kamer lagen jongens uit alle windstreken van Nederland. Groningers, Friezen, Rotterdammers, Amsterdammers, Brabanders en Limburgers werden zonder pardon bij elkaar gelegd. Tegenwoordig zou men spreken van een diversiteitsproject; wij noemden het gewoon een slaapzaal.

De verschillen in dialect waren soms zo groot dat een gesprek regelmatig eindigde met de vraag: "Wat zei jij nou eigenlijk?" Gelukkig blijkt lachen in heel Nederland dezelfde taal te spreken.

De eerste vier weken mochten we absoluut niet naar huis. Volgens Defensie was dat goed voor de karaktervorming. Volgens ons was het vooral goed voor de omzet van de postzegels.

Voor sommige jongens duurde die eerste maand ongeveer net zo lang als een complete militaire carrière. Gelukkig was er in het tweede weekend bezoek toegestaan.

Toen stroomde de kazerne vol met ouders, verloofdes, vriendinnen en familieleden die kwamen controleren of we nog leefden en of Defensie ons inmiddels niet had omgetoverd tot onherkenbare gevechtsmachines.

Moeders sleepten tassen vol koek, cake en andere levensmiddelen mee alsof de kazerne op rantsoen leefde. Vaders bekeken met een kritisch oog de gebouwen, de bedden en het eten. Verloofdes wilden vooral weten of we ons een beetje gedroegen.

En wij? Wij probeerden er zo stoer mogelijk uit te zien. Dat viel niet altijd mee, want na twee weken exerceren, corvee, poetsen en reveille zagen velen van ons er eerder uit als vermoeide padvinders dan als de Rambo's van de Lage Landen.

Na zo'n bezoekmiddag voelde je je weer helemaal mens. En zodra iedereen weer vertrokken was, werden op de kamer de sterke verhalen vanzelf nóg sterker dan daarvoor.

De kantine vormde het kloppend hart van de kazerne. Daar werden de wereldproblemen opgelost, vriendschappen gesloten en heel wat flesjes soldaat gemaakt. Het statiegeld van die lege flesjes ging naar het Blindengeleidehondenfonds. Een prachtig initiatief, al vermoed ik dat onze lichting in haar eentje verantwoordelijk was voor een complete kennel hulphonden.

Ook de film-, muziek- en cabaretavonden waren hoogtepunten. Even geen sergeanten, geen exercitie en geen glimmende schoenen, maar gewoon ontspannen en lachen. Achteraf durf ik te zeggen dat die avonden minstens zo belangrijk waren voor de moraal als een week militaire opleiding.

Wat mij vooral is bijgebleven, is de kameraadschap. We kwamen als onbekenden uit alle hoeken van Nederland binnen en vormden binnen enkele weken een hechte club. Er werd geplaagd, gelachen en ontzettend veel sterke verhalen verteld.

En zoals dat met sterke verhalen gaat: na ruim vijftig jaar zijn ze allemaal nóg een beetje mooier geworden.

Als ik nu terugkijk, herinner ik me misschien nog maar de helft van wat we tijdens de lessen leerden. Maar de vriendschappen, de humor en de belevenissen op de kamer staan nog altijd haarscherp in mijn geheugen.

De basisopleiding zat erop. Ik had leren marcheren, exerceren, poetsen, wachten en af en toe zelfs iets militairs. Volgens Defensie was ik nu klaar voor de volgende stap: de parate hap. Achteraf denk ik dat zij toen nog niet wisten wat ze in huis haalden...

 
Lichting zeventig zes op de fotoGroepsfoto gemaakt op de Cort Heyligerskazerne. (Ik zit gehurkt 2e van rechts)

 

Schoonspuiten YA zes zestien

 

Lesauto YA 328 en YA 616
De befaamde "dikke DAF" YA 328 en de  YA 616  op de Cort Heyligerskazerne.

Legerplaats Havelte - 109e Afdeling Veld Artillerie

Ingang Johannes Post kazerne

Raketten en eieren bakken

Op 15 maart 1971 verruilde ik de opleiding in Bergen op Zoom voor de zogenoemde parate hap: de 109e Afdeling Veldartillerie in de Johannes Postkazerne te Havelte.

Eindelijk zou ik een serieuze bijdrage gaan leveren aan de verdediging van het vaderland.

Althans... dat dacht ik.

Na de introductie kreeg ik de beschikking over een indrukwekkende International M55/M78A1, een vijf ton zware 6x6-vrachtwagen. Een prachtig stuk militair materieel waarmee je zonder problemen door modder, zand en weilanden reed. Alleen de binnenstad van Amsterdam zou ik er liever niet mee proberen.

Naast mijn functie als chauffeur kreeg ik er nog een belangrijke taak bij: de catering in het veld.

Terwijl anderen zich bezighielden met raketten, lanceerinrichtingen en militaire strategieën, hield ik de gevechtskracht op peil met gebakken eieren, koffie, broodjes en – vooruit – af en toe een drankje dat waarschijnlijk niet in het officiële handboek stond vermeld.

Een leger marcheert tenslotte op zijn maag.

De afdeling beschikte over de Amerikaanse Honest John-raket. Een indrukwekkend apparaat dat in staat was om op grote afstand een zeer overtuigende boodschap af te leveren. Gelukkig hoefde ik alleen maar te zorgen dat de bemanning voldoende gegeten had.

Mijn actieve bijdrage aan de raketmacht bleek echter van korte duur.

Tijdens een sportevenement ontdekte ik namelijk dat enkelbanden minder onverwoestbaar zijn dan je als twintiger denkt. Met één enthousiaste beweging veranderde ik van militair chauffeur in patiënt. Diagnose: een gescheurde enkelband, zes weken gips en een overplaatsing naar de binnendienst.

Terwijl mijn collega's oefenden met raketten en militaire voertuigen, werd ik specialist in papierwerk, formulieren en het bewonderen van mijn eigen gipsbeen. Ook dat bleek een talent, al stond het niet in mijn functieomschrijving.

Alsof dat nog niet genoeg afwisseling was, werd ik ook nog enige tijd benoemd tot sleutelwacht. Dat klonk buitengewoon belangrijk. In werkelijkheid betekende het vooral dat ik heel goed wist waar de sleutels lagen... en dat ze daar ook weer netjes terugkwamen.

Inmiddels werd mijn vader ernstig ziek. Daardoor kreeg ik bijzonder verlof om thuis mee te helpen in het familiebedrijf. Uiteindelijk verliet ik op 11 mei 1971 de krijgsmacht vanwege uitstel van eerste oefening, zodat ik mijn ouders kon ondersteunen.

Daarmee kwam mijn militaire loopbaan eerder ten einde dan ik ooit had gedacht.

Als ik erop terugkijk, heb ik in een half jaar meer functies gehad dan sommige mensen in hun hele loopbaan. Ik begon als toekomstig chauffeur van zwaar militair materieel, belandde achter het fornuis als veldkok, schoof door naar de administratie, was korte tijd sleutelbeheerder en eindigde uiteindelijk als mantelzorger.

Waarschijnlijk had Defensie voor mij een heel ander carrièrepad uitgestippeld.

Op de foto staat één van de voertuigen van de 109e Afdeling Veldartillerie, behorend bij de lanceerinrichting van de Honest John-raket. Indrukwekkend materieel waar ik nog altijd met plezier op terugkijk.

En hoewel ik zelf nooit een raket heb afgeschoten, durf ik gerust te zeggen dat mijn gebakken eieren waarschijnlijk meer militairen gelukkig hebben gemaakt dan welke raket ooit had kunnen doen.

De raketten waren bedoeld voor de vijand... mijn gebakken eieren voor de eigen troepen. Van beide ging een indrukwekkende werking uit.

 
International M155 met Pullman aanhanger

Compleet transport

Cartoon van de HJ raket

Schot met de HJ van de 109 afva

Materiaal van de 109 ava

Materiaal van de 109 Afdva

 

Breda Chassé Kazerne - Artillerie Opleidings Centrum

Hoofdgebouw Chassékazerne

De laatste dienstmaanden

Na het uitstel van mijn dienstplicht vanwege de ziekte van mijn vader, moest ik mijn resterende tien maanden alsnog volmaken. Daarom ontving ik opnieuw een oproep. Op maandag 13 november 1972 mocht ik mij melden bij de Chassékazerne in Breda.

Daar mocht ik de resterende maanden van mijn diensttijd uitzingen als chauffeur op de DAF YA328 VRC en af en toe op de DAF YA126, de bekende één-tonner.

Ik dacht dat Defensie mij na mijn avonturen in Havelte misschien vergeten was, maar dat bleek ijdele hoop. De administratie had mij uiteindelijk toch weer teruggevonden en vond dat ik nog een kleine tien maanden aan het vaderland verschuldigd was. Blijkbaar beschikte Defensie over een administratie die traag werkte, maar uiteindelijk altijd raak schoot.

Mijn aankomst in Breda verliep meteen volgens goed militair gebruik: anders dan gepland.

Net op deze dag in november trok een zeer zware storm over Nederland. Treinen reden met flinke vertraging en het kostte me de nodige inspanning om mij rond zeven uur 's morgens in Wormerveer in een trein te wurmen. Na een lange reis arriveerde ik pas rond een uur in Breda. In militair jargon: vertrek 07.00 uur, aankomst 13.00 uur. In gewone mensentaal: ik had ruim de tijd gehad om onderweg meerdere keren te bedenken dat thuisblijven misschien ook een uitstekend plan was geweest.

Ik kwam een oude bekende uit mijn Bergen op Zoom-periode tegen: de weledelgestrenge Kamstra, destijds sergeant-majoor en later opgeklommen tot adjudant-onderofficier (in de wandelgangen beter bekend als “de stip”).  Hij stond daar keurig op iemand te wachten… alleen niet op mij, want niemand wist dat ik kwam en hij had geen idee dat ik zou verschijnen.
 

Zijn eerste verbazing was zichtbaar toen ik in burgerkleding verscheen. Zijn tweede volgde direct daarna in de vorm van twee vragen: “Wat kom je doen?” en “Waarom ben je in burger?”

Na enig telefonisch overleg, wat hoofdschudden en een gezonde dosis militaire bureaucratie werd besloten dat ik tóch mocht blijven. Achteraf vond ik dat eigenlijk best jammer. Ik was inmiddels al bijna gewend aan het idee dat ik dezelfde middag weer naar huis kon.
 

Omdat mijn oude PSU-uitrusting in Havelte was achtergebleven, kreeg ik een nieuwe verzameling legerkleding uit een voorraadkast waarvan vermoedelijk niemand wist dat die nog bestond.

Tussen de uitgereikte spullen zat ook een gebreide zwembroek. Niet zo'n moderne, sneldrogende uitvoering, maar een exemplaar waarvan je spontaan medelijden kreeg. Ik vermoed dat zelfs Napoleon er destijds één blik op had geworpen en had gezegd: "Messieurs... zó ver gaan we niet."
 

Ik kwam terecht bij een man of tien op een prima kamer bij de Staf-Staf. Het leven daar was aanzienlijk rustiger dan bij het 109e.

Het officiële dagschema zag er ongeveer als volgt uit:

  • 🫡 Opstaan.
  • 🍞 Ontbijten.
  • 🚚 Melden bij de MTO.
  • ☕ Koffie.
  • 💬 Bijpraten.
  • 🧹 Een beetje Blencoën.
  • ☕ Nog meer koffie.
  • 🃏 Klaverjassen.
  • 🎲 Nieuwe kaartspellen leren.
  • 🍺 Wachten tot het tijd was om naar huis te gaan.

Zoals u ziet: een bijzonder intensief programma.

Mijn bijdrage aan de NAVO was van onschatbare waarde... althans, dat hield ik mezelf graag voor.

Tweemaal mocht ik een week mee naar het Artillerie Schietkamp (ASK) ook wel de Knobbel genoemd met mijn VRC. Op de Knobbel kwamen dienstplichtige reserve-officieren oefenen met een AMX-pra of een M109.

Mijn werkzaamheden daar waren van groot strategisch belang en bestonden uit een strak, bijna militair verantwoord dagschema:

"'s Morgens zette ik de generator bij de stukken, controleerde of alles werkte en begaf mij vervolgens naar het KMT voor een kop koffie met een roze koek. Rond het middaguur controleerde ik of de generator nog draaide, waarna de lunch volgde. Daarna was het tijd voor een tweede inspectie... van de koffie en de roze koeken."

Tegen het einde van de middag haalde ik om vier uur de YA328 en de generator weer op, waarna de dag als voltooid kon worden beschouwd.

Het geheel was een intensief programma waarin ik vooral veel ervaring heb opgedaan in wachten, wandelen en koffie drinken, vaardigheden die in het militaire leven minstens zo belangrijk bleken als welke technische opleiding dan ook. 
Al met al een zwaar programma, waarin ik vooral heb bewezen dat je met voldoende koffie, wandelkilometers en geduld een militaire dag prima doorkomt. ☕🚶‍♂️

Na vier maanden Breda zat mijn tijd erop. Ik hield er een stel goede herinneringen, gezellige maten en een indrukwekkende ervaring in wachten, koffie drinken en strategisch kaarten aan over.

Daarna verhuisde ik naar 420 IBC in Amsterdam. Maar dat is weer een heel ander verhaal...

 

Defensie maakte van mij geen oorlogsheld, maar wel een specialist in geduld, koffie en kaarten. Achteraf gezien is dat ook een talent. 😄

Amsterdam - 420e Infanterie Beveiligings Compagnie Mobiel

Ingang Oranje Nassaukazerne

Amsterdam: wachten, waken en wegwezen

Mijn laatste militaire hoofdstuk speelde zich af in Amsterdam. Officieel was ik chauffeur van alles wat wielen had, maar in de praktijk reed ik vooral met een Volkswagen T2-transporter. Het kwam neer op sturen, wachten en improviseren. Eigenlijk was het net een gewone baan, alleen sliep ik de ene nacht thuis en de andere in de kazerne.

Onze voornaamste werkzaamheden waren het bewaken en controleren van objecten. De ene week patrouillerijden en de andere week gewoon dienst op de kazerne.

Op patrouille reden we een nachtje in een VW-busje met mij als chauffeur, samen met een dienstplichtig sergeant en vier of vijf maten. Een soort nachtelijke taxi-service in camouflage-uitvoering. Een belangrijk onderdeel van de functie was ook het ophalen van je pistool om 16.00 uur. Dat kreeg je mee in een keurige houder met zes patronen, waarna je het de volgende ochtend weer inleverde. Ongebruikt, uiteraard. Het pistool bracht waarschijnlijk meer tijd door in de wapenkast dan ik ooit in een schietpositie. Gelukkig maar, want niemand zat erop te wachten het te moeten gebruiken.

We hadden drie vaste routes: het zuidelijke deel van Noord-Holland, het middelste deel en natuurlijk het noordelijke deel, want zonder noord is het geen compleet avontuur. En daar gebeurde van alles.

Voor het zuidelijkste deel kwamen we ook langs de objecten rondom Schiphol die gecontroleerd moesten worden, zoals de Geniedijk. Die bestond eigenlijk uit twee complexen die door de A4 vrolijk van elkaar gescheiden werden.

Het resultaat was een reeks “strategische controles” die in de praktijk vooral neerkwamen op lange wandelingen langs een dijk met betonnen bunkers, water en gras, waarbij je aan het eind van de dag precies wist hoe ver een mens kan lopen zonder echt ergens te komen.

Onderweg naar de objecten

Bij Balgzand wandelden we over dijken en keken naar roestige schuiten alsof het een zorgvuldig samengesteld openluchtmuseum was, alleen zonder bordjes en uitleg. In Bergen ging het anders: eerst het dorp in voor een patatje op het plein en daarna zogenaamd toevallig even kijken naar de meisjes. Vooral op zaterdag werd die route opvallend vaak enthousiast gereden. In Petten sliepen we in een oude bunker, wat officieel “verplicht uitrusten” heette, maar in de praktijk vooral neerkwam op militair kamperen met betonnen muren en weinig romantiek.

Ook de forten van de stelling van Amsterdam kwamen regelmatig voorbij. Hekje open. Fort in. Rondje lopen. Hekje dicht. Op naar het volgende fort. Historische sightseeing, maar dan zonder gids en mét dienstwapen. 

Ik herinner me nog goed een nacht bij Fort Neck. Het was aardedonker en ik probeerde achteruit een dijk op te rijden. Mijn maten gaven vol overtuiging aanwijzingen. Dat deden ze uitstekend... alleen reden we precies de verkeerde kant op. In plaats van op de weg belandden we ernaast. Bij de reddingspoging bleek een betonnen paaltje onvermurwbaar. Mijn bumper hield er een blijvende herinnering aan over. Het paaltje won overtuigend. Gelukkig bleek een geloofwaardig verhaal binnen Defensie soms net zo belangrijk als goed achteruit kunnen rijden.
 

In deze periode kreeg ik ook een geweer toegewezen: een M-1 Garand-karabijn, ooit het dienstwapen van alle zandhazen. Het was een indrukwekkend stuk geschiedenis, afkomstig uit een tijd waarin alles nog zwaar, degelijk en vooral niet ergonomisch was. Ik heb er geen een keer mee geschoten. Ironisch genoeg moest ik het geweer op de dag van mijn afzwaaien nog schoonmaken. Dat was ik, geheel volgens militaire traditie, vergeten. Het leverde me een bescheiden uitbrander op, waar ik nu nog met plezier aan terugdenk.

Wat deze tijd vooral mooi maakte, was de vrijheid. Ik was veel onderweg, maar ook regelmatig thuis. Bovendien viel het samen met een prachtige zomer. Mijn vrouw stond dan om 08.30 uur op het station van Wormerveer met de brommer klaar, waarna we rechtstreeks doorreden naar het strand om een paar uur te slapen in het zand en tussendoor een beetje te zonnen. Militair gezien stond deze vorm van herstel waarschijnlijk niet in het handboek. Maar eerlijk is eerlijk: het werkte uitstekend.

En dan de tandarts… In Bergen op Zoom en Havelte was het me nog gelukt om daar handig onderuit te komen, maar in Amsterdam zat er een kleine vinnige oppert samen met sergeant Bloemberg in mijn papieren te bladeren. “Wanneer bent u voor het laatst bij de tandarts geweest?” vroeg hij. “Vorige onderdeel,” antwoordde ik nog hoopvol. Dat bleek geen geldig excuus. Voor ik het wist had de opper al besloten dat mijn gebit een grondige revisie nodig had. Tegen zoveel militaire daadkracht viel niet te onderhandelen.

Zo ging ik vervolgens drie maanden lang elke dinsdagmiddag naar een dpl. tandarts die onder het genot van toenmalige popmuziek tandje voor tandje en kiesje voor kiesje mijn gebit onder handen nam. Het resultaat mag er zijn: mijn tandarts van nu heeft er, ruim vijftig jaar later, nog steeds weinig werk aan.

Bij het afzwaaien ging het hele stel nog één keer los in café de Groene Olifant op de hoek van de Sarphatiestraat en het Alexanderplein. De sfeer was uitstekend, de verhalen werden groter en de Cie-Cmd was ook van de partij. Er werd flink doorgezakt en waarschijnlijk zijn er die avond meer anekdotes gedeeld dan verstandig was.

En toen zat het erop. Van dienstplichtige rekruut naar korporaal, via vrachtwagens, raketten, bunkers, forten, nachtpatrouilles, gebakken eieren, eindeloze koppen koffie en heel veel wachten.

Defensie maakte van mij geen beroepsmilitair. Wel nam ik een rugzak vol herinneringen, vriendschappen en verhalen mee naar huis. Verhalen die, zoals dat met goede verhalen gaat, ieder jaar een beetje mooier lijken te worden. Achteraf bekeken was die diensttijd een periode die ik voor geen goud had willen missen.

Kraag embleem

Kraag embleem

Baret embleem

Baret

De uniformen verdwenen weer in de kast, ik werd opnieuw burger en het gewone leven ging verder. Maar één ding is nooit veranderd: zodra oud-dienstplichtigen elkaar ontmoeten, duren de verhalen steevast langer dan de dienst ooit heeft geduurd. En eerlijk gezegd... dat is misschien wel het mooiste bewijs dat het een geweldige tijd is geweest.